WELKOM GESELLEN
(1977)
Kant A
1. WELKOM GESELLEN
Welkom gesellen, wel wat fraije bellen
zijn 't die daer aen u lange snavel hangen.
Heer, wat te bellen! Wat voor fraije lellen
om daer de bullback selver meet te vangen.
Ziet doch dees loose knapen
daer eens naer gapen, daer eens naar gapen
als apen, ach ach ach ach ach wat een lach,
'k en kan 'k en kan niet meer,
ach, wat een lach, 'k en kan 'k en kan niet meer
Mijn buijk doet zeer, ach neen ick heer,
mijn buijk doet zeer, 'k en kan niet meer,
ach neen ick heer mijn buijk die doet mij zeer.
2. DE VASTENAVOND
De vastenavond die komt an
wij zingen ho-man-ho
Geeft ons een pankoek uit de pan
en zo mijnheer al zo
En nu het vastenavond is
nu zijn er alle keeltjes fris
diridon, diri don
diri don don don don deine
het spelen gaat gewis.
Sa meiskes zet de pan te vier
slaat eieren in het meel
en haalt een kruikje smokkelbier
zo smeren wij de keel.
Terwijl gij samen aan de haard
de koekskes uit de pan vergaart
diri don, diri don
diri don don don don deine
wij spelen met de kaart.
Wat raad je zal het klavertroef
of zal het schoppen zijn
Neen geen van bei, 't is harteboef
en 't aasje da's voor mij.
Wel heij, wel heij wat zeg je nu
zeg speel je mee of ben je schuw
diri don, diri don
diri don don don don deine
zie daar is lanterlu* .
Hier hoort ook wel een glaasje bij
ik breng jou op een som
Uw naast' gebuuren aan weerszij
komt vrienden keert u om
en kust de meisjes dat het raakt
terwijl de wijn ons vrolijk maakt
diri don, diri don
diri don don don don deine
het wijntje vrolijk maakt!
3. DIE NACHTEGAAL DIE ZANK EEN LIED
Die nachtegaal die zank een lied, dat leerde ik
Ik hebbe een verholen lief, die vrijde ik
en die wil ik niet laten, ja laten.
Ik hope nog een kort half nacht
in mijn liefs arm te slapen.
Die moeder van den bedde sprank ontstak haar licht
Zij vond haar jongste dochter op haar bedde nicht
"Waar is zij nu gegangen, ja gangen
nu is mijn jongste dochter weg
met een zo vreemde manne."
"Hij was mij al zo vreemde niet, hij had mij lief.
Hij voerde mij over die heiden, hij misdeed mij niet,
hij voerde mij over de heiden, ja heiden"
Daar twee schoon liefkens samengaan
hoe nood is 't dat zij scheiden.
Daar twee goe liefkens aan den danse gaan,
hoe vriend'lijk zij haar oogskens op malkander slaan
gelijk die morgensterre, ja sterre.
Mijn hert'ken is van zulker aard;
Bruin oogskens zie ik geerne.
Mijn hertken is veel wilder dan een wild konijn,
dat en kan niemand temmen dan die liefste mijn.
dat is zo'n fraaij geselle, geselle
Ook waren alle duvels zo,
en ik voer in der helle.
4. UNGARESCA
5. NAR OOSTLAND WILLEN WIJ RIJDEN
Naar Oostland willen wij rijden
naar Oostland willen wij mee
al over die groene heiden
fris over die heiden
daar is er betere stee.
Als wij binnen Oostland komen
al onder dat hoge huis fijn
daar worden wij binnengelaten
fris over die heiden
zij heten ons willekom zijn.
Ja, willekom moeten wij wezen
zeer willekom moeten wij zijn
daar zullen wij avond en morgen
fris over die heiden
nog drinken wij koele wijn.
Wij drinken de wijn er uit schalen
en 't bier ook zoveel ons belieft
daar is 't zo vrolijk te leven
fris over die heiden
daar woont er mijn zoete lief.
6. IC WEET EEN VRAUKEN WEL BEREIT
Ic weet een vrauken wel bereit*
zij heeft mijn hert bevaen
met haerder groeter mijnlicheit
en can ic haer niet ontgaen
haar ionste moet ic draghen
haer wesen es zo wel ghedaen
sij staat in mijn behaghen, behaghen
scoender vrauwe en sach ic noyt
dies wil ic mij vermeten
tes recht dat ec haer vrienscap doe
want sij doet mij druck vergheten
reijn sijn al, al haer sijnnen
mij es te bat, dat ic se an sie
dat vrauken, dat ic bemijnne,
mij es te bat, dat ic se an sie
dat vrauken, dat ic bemijnne.
7. EEN RONDEN DANS OM DE BRUIJDT TE BEDDE TE DANSEN
Luchtige maegden, dat men u vraeghden
wat dat dit droevigh treuren beduidt.
Ghij kondt wel veijnsen,
maar u gepeijnsen sijn:
wij waren soo garen de bruijdt.
't Sal noch wel komen,
sit niet te dromen,
't sal noch wel komen in 't leste besluijt.
Nu dan eens rustigh, toont u wat lustigh
vrolijcke bruijdt springt lustigh om .
't Veijnsen wilt staken en u vermaken
met ons en uw bruijdegom
die u met kusjes,
die u met kusjes,
die u met kusjes heet wellekom.
8. HET DAGHET IN DEN OOSTEN
Het daghet in den oosten, het lightet overal
hoe luttel weet mijn liefken och waar ick henen sal.
Och warent al mijn vrienden dat mijn vijanden sijn
ik voerde u uuten land mijn lief mijn minnekijn.
Dats waer sou dij mi voeren stout ridder wel gemeijt
ic ligh in mijns liefs armkens met grooter waardigheit
Lig dij in uws liefs armen bilo gij en segt niet waer
gaat heen ter linde groene versleghen so leijt hij daer.
't Meisken nam haren mantel ende si gink eenen ganck
al totter linde groene daer si den dooden vant.
Ach ligdij hier verslaghen versmoort al in uw bloet
dat heeft gedaan uw roeme ende uwen hooghen moed.
Och ligdij hier verslaghen die mi te troosten plach
wat hebdi mij ghelaten so menigen droven dagh
't Meisken nam haren mantel ende si ginck eenen ganck
al voor haer vaders poorte di si ontsloten vant.
Ach, ist hier eenigh Heere oft eenigh edelman
die mij mijnen dooden begraven helpen can.
De Heeren sweghen stille, sij en maecten gheen gheluijt
dat meisken keerde haer omme, si ginck al weenende uijt.
Si nam hem in haren armen, si custe hem voor de mont
in eender corte weijle tot also meenigher stont.
Met sinen blanken swaerde dat si die aerd op groef
met haer sneewitte armen ten grave dat si hem droegh.
Nu wil ic mi gaen begheven in een cleijn cloosterkijn
en draghen swarte wijlen en worden een nonnekijn.
Met haeren claeren stemme die misse dat si sanck
met haer sneewitten handen dat si dat belleken clanck.
Kant B
1. POEZEMINNEKE / GAVOTTE
2. HET VLOOCH EEN CLEIN WILT VOGELKEN
Het vlooch een clein wilt vogelken
tot mijns liefs venster in
het clopter also liselijc
met sinen snavelken
staet op ende doet mi open
ic hebbe te nacht gevloghen
aldoor die wille dijn.
Heb di te nacht gevloghen
al door die wille mijn
so compter halver middernacht
ic sal u laten in
ic wil u decken warme
ic wil u vriendelic sluiten
al in den armen mijn.
Mer dat ghi bij mij slapen sout
dat is die wille van mi
och willet lansknecht swigen
ghi sult die liefste sijn
ende hebben een so huebschen moet
om alle lansknechten wille
verteer ic mijn gelt ende goet.
Och willet wachter swigen
laet dat verholen sijn
so wil ic u schinken
van gouden een vingherlijn
daar toe een schoon cranselijn
och Here Goed van den hemenl
hoe is den dach so lanck
3. NARRENDANS
4. IN OOSTENRIJK DAAR STAAT EEN HUIS
In Oostenrijk daar staat een huis, zeer fraai en wel ten tone
van marmer en albasten steen en blinkt van goude schone, ja schone.
Daar op zo leit een jongling teer op zijnen hals gevangen
wel veertigsademen onder de aard bij add'ren en bij slangen, bij slangen.
Zijn vader kwam tot Rozenberg al voor den toorn gegangen
"Ach zone, liefste zone van mijn, hoe zwaar ligt gij gevangen".
Zijn vader tot de heren sprak "Wilt mij den gevangene los geven
driehonderd gulden zal ik u strak wel voor den jongeling geven".
"Driehonderd gulden helpen u niet, de jongeling moet sneven.
hij draagt een gouden keten ziet, die brengt hem om het leven".
"Dat hij een gouden keten draagt die heeft hij niet gestolen
die heeft hem vereerd een schone maagd uit liefde onverholen".
Men voerde hem ter poorte uit, die leere moest hij opstijgen
"Och meester, laat mij een kleine tijd mijn jong leven beschreien".
"Een korte tijd en laat ik u niet of gij mij moogt ontrinnen*
geeft mij een zijden doekje ziet dat ik hem zijn ogen verbinde".
"Verbinde doch mijn ogen niet die wereld moet ik aanschouwen,
ik zie ze nu en nimmermeer dies leit mijn hert in rouwen".
Omtrent drie maanden na dien dag zijn dood die was gewroken,
daar waren al over dertig man om den jongeling doodgestoken.
5. DAAR STAAT EEN LIND'IN GEENEN DAL
Daar staat een lind'in geenen dal
van boven breed, van onderen smal
daarop zo zit vrouw nachtegaal
en and're vog'len uit dat woud.
Zingt op, zingt op, vrouw nachtegaal
gij kleine vogel uit dat woud
zingt op, zingt op, mijn zoete lief
wij twee wij moeten scheiden hier.
Hij nam zijn peerdken bij den toom
en voerde 't onder den lindenboom
zij hielp hem in den zadel zo diep
wanneer komt gij weder mijn zoete lief.
Wanneer het gaan zal tegen den zomer
zo zal ik hier wederkomen
als alle boomkens weer werden groen
ziet dan naar mij gij jonkvrouwe schoon
Dan geeft gij mij tot enen borg
den heil'gen ridder Sint Jorg
in hem stel ik mijn vertrouwen al
6. HET RUITERTJE EN HET MEISJE
Daar vrijde eens een ruitertje naar een meid
en ze vrijden allebeiden,
Fiderommidomdom fideralalala
en ze vrijden allebeiden.
En ze vrijden samen de hele nacht
van de avond tot de morgen ....enz
En toen het morgen geworden was
begon het meisje te wenen
"Ik zal geven een ruitersknecht
en daartoe honderd daalders"
"En de ruiter zijn knecht begeer ik niet
'k heb liever het heertje zelve"
"Het heertje zelf dat krijg je niet
ga dan maar naar je moeder"
En toen zij bij haar moeder kwam
lag haar moeder uit het venster
"Waar ben jij deze nacht geweest
van de avond tot de morgen?"
"Ik ben vannacht bij de ruiter geweest
en daar heb ik bij geslapen"
Maar toen het kind op de wereld kwam
werd het meisje naar het kerkhof gedragen
En de ruiter droomde op een nacht
dat zijn liefste was gestorven
En toen hij aan de linde kwam
stond de dode nog boven aarde
Hij stak zijn sabel al inne zijn zij en
stak zich daarmee neder
Daar lag de ruiter, daar lag de meid
daar lagen ze allebeide
7. VENUS
Venus, gij en uw kind
zijt allebeide blind
en doet ook veel verblenden
die haar tot u gaan wenden.
Dit heb ik wel ervaren
In mijne jonge jaren.
Voor éénmaal vrolijk zijn
geeft gij veel duizend pijn
voor éénmaal vriend'lijk schertsen
geeft gij veel duizend smerten
Dit heb ik wel ervaren
in mijne jonge jaren.
8. MERCK TOCH HOE STERCK
|